Blog
Extra
Theory
About
Contact
Laatste Reacties
Beste mevrouw/meneer, Kunt U mij...
Meer...

Thanks for the post, In this complex...
Meer...

nou nou mooie expositie!
Meer...

flashmob
Meer...

hey Marijn, vanuit Rome, super...
Meer...

Situationist Comics
 

Image

 

I’m not gonna rock the boat,
rockin the boat’s a drag;
I’m gonna sink the boat.
                    —Putney Swope


Picture your social world as a large, well-lit closet / a tunnel extending through society from birth to death / a cave of shadows artificially illuminated / a populous boat adrift in a sea beyond meaning. The sea is an image of the world, a whole world; there is a universe beyond the widest reach of human perception. I do not yet know it / do you?. Meer situationisme en guy debord na de jump.

 

Image

 

Image

 

 

 

http://www.cddc.vt.edu/bps/comics/index.htm 

 

 

 

"We are only concerned with the moments when life shatters the glaciation of survival"

 

meer comics vind u hier:

Three detoured comics and an appropriated image from the Situationist International. These are copyright free if not used for the purposes of profit. Taken from "Leaving the 20th century: The Incomplete Work of the Situationist International" .

 

en whatfrank poste al eerder : Ne travaillez jamais!! 

 

http://www.whatspace.nl/filosofie/sovssd-ne-travaillez-jamais.html 

 

ten tijde van Whatnight #1... 

 

 

 

Op zoek naar humor en poëzie vinden de situationisten enkel maar triestheid en banaliteit. Net zoals op een schilderij van De Chirico een lege ruimte voelbaar wordt, men zich bewust wordt van de afwezigheid van iets, net zo zien de situationisten overal leegtes. Zij stellen zich tot doel de afwezigheid voelbaar te maken, met de bedoeling de leegte opnieuw te vullen: 'In zekere zin zal iedereen in zijn eigen "kathedraal" wonen. Er zullen kamers zijn die meer levendige fantasieën opwekken dan welke drug ook, waarin je alleen maar kunt liefhebben.' 

 

De melancholie van Guy Debord

'De sensatie van het verstrijken van de tijd

is voor mij altijd zeer levendig geweest.'
                                                                    Guy Debord

 

 mooi artikel hier:

http://www.buitendeorde.nl/1601/print.php?art=11 

 

De Situationistische Internationale was tussen 1957 en 1972 een kleine maar actieve groepering die het spektakel als de nieuwe religie van het kapitalisme aanklaagde. Ontstaan als een artistieke avantgarde, die zich spiegelde aan het dadaïsme en surrealisme, zou het zwaartepunt geleidelijk verschuiven naar de uitwerking van een moderne revolutionaire theorie, die in de revolte van mei '68 op ieders lippen lag. Enkele maanden voordien waren in de schoot van de vereniging twee spraakmakende boeken verschenen: Traité de savoir-vivre à l'usage des jeunes générations, in het Nederlands vertaald als Handboek voor de jonge generatie, van de Belg Raoul Vaneigem, en De spektakelmaatschappij van Guy Debord, waarin een wezenlijke dimensie van onze pseudobeschaving wordt blootgelegd. Naar aanleiding van de tiende verjaardag van het overlijden van Guy Debord (1931-1994) brengen we hier een portret van de schrijver en de door hem opgerichte Situationistische Internationale, vanuit de overtuiging dat het mooiste portret van Debord in zijn eigen geschriften te vinden is.
door Johny Lenaerts

Dit artikel kent zijn beperkingen: de situationisten laten zich niet in een schema of korte samenvatting opsluiten. Daarvoor kennen zij teveel vluchtlijnen. En overigens bestaat er niet zoiets als een 'situationistische theorie'. Het beeld dat men, meer dan dertig jaar na datum, van de situationisten heeft, is nog steeds vol tegenstellingen. Dit hoeft ons niet te verbazen. Van de Situationistische Internationale kan gezegd worden wat Hans Richter van Dada zei: 'Dada nodigde, of liever: daagde de wereld uit om haar verkeerd te verstaan, en moedigde elke mogelijke verwarring aan. Dit gebeurde uit wispelturigheid en vanuit een principe van tegendraadsheid. Dada heeft de verwarring geoogst dat het gezaaid heeft.' Laten we desondanks proberen enkele vluchtlijnen te schetsen.

Ergens in het zuiden van Frankrijk
Op een grauwe ochtend in de herfst van 1992 landt een gammel vliegtuigje op een minuscule luchthaven in het zuiden van Frankrijk. Een jonge dame, Suzanne Jamet, stapt op de tarmac. Zij werkt voor de vermaarde uitgeverij Gallimard. Een landbouwer met gesloten gelaat brengt haar, zonder ook maar één woord uit te brengen, naar een grote hoeve, die door hoge muren van de buitenwereld afgesloten wordt. Het is nog maar 9 u 's ochtends. Debord wacht haar op aan het eind van een lange rechthoekige tafel in een ruime kamer waarin alleen een open haard opvalt. Hij drinkt wijn, en zwijgt. Er wordt geen woord gewisseld. Na een vijftal minuten, waarin hij af en toe van zijn glas nipt en de jonge vrouw straal negeert, licht hij eindelijk de ogen op, en mompelt:
- 'Ik zie echt niet in wat u hier komt doen.'
- 'Inderdaad, ik heb hier niets te zoeken.'
Het ijs is gebroken en er komt een discussie op gang. Debord vertelt over zichzelf, en toont een zekere nieuwsgierigheid naar Parijs, naar het kleine wereldje van de intellectuelen. 'Wat hem fascineerde was te weten hoe dit milieu functioneerde, een milieu dat in zijn ogen door en door verrot was.' Suzanne Jamet poogde, volkomen tevergeefs, hem ervan te overtuigen om cultuurpaus Philippe Sollers te ontmoeten. (Philippe Sollers: 'Debord was een groot metafysisch dichter van een maatschappelijke hel zonder dichters: daarom is hij nog steeds revolutionair.') Zij eten vroeg, een omelet met champignons, die in de open haard gebakken wordt. Suzanne Jamet en Guy Debord discussiëren tot 's avonds laat bij een glaasje calvados. Debord komt zo goed met de jonge vrouw overeen dat hij haar uitnodigt terug te komen, en zij vergezelt gedurende enkele dagen Debord en zijn echtgenote op hun vakantie in Normandië. Zij zal daarbij geen enkele 'militant' ontmoeten. Guy Debord lijkt haar openhartig, nieuwsgierig naar honderd-en-één dingen, in constante evolutie. Zij wordt vooral getroffen door zijn pessimisme, dat strijdvaardig is als steeds: 'Hij voelde zich niet meer bij zijn tijd behoren, bij niets meer. Alsof hij de enige was die zag dat alles op een catastrofe afstevent.'

Guy Debord maakte er geen geheim van dat hij zich niet aan de regels van de uitgeverij zou onderwerpen. Hij stond geen enkel interview toe, nam aan geen enkele radio- of TV-uitzending deel, en weigerde ook maar enig werk te signeren.

In die tijd bracht Gallimard een nieuwe druk van De spektakelmaatschappij uit. Debord had daartoe een voorwoord geschreven: 'Dit boek moet gelezen worden in de wetenschap dat het welbewust geschreven is met de bedoeling de spectaculaire maatschappij schade te berokkenen. Het heeft nooit iets anders verkondigd wat buitensporig is.' Deze strijdvaardige taal had het publiek geenszins afgeschrikt. De verkoop overschreed de meest optimistische verwachtingen, en na enkele weken waren al 12000 exemplaren verkocht.

Na veertig jaren van ondergrondse activiteit bij obscure groeperingen en marginale uitgeverijen stond hij eindelijk op het punt om door te breken. Maar voor Debord hoefde het allemaal niet meer. Op 30 november 1994, op het einde van de namiddag, schoot hij een kogel door zijn hart in zijn woning in Champot; hij was 62 jaar. Enkele weken later zou bekend raken dat hij geleden had aan een ongeneeslijke ziekte die het gevolg was van zijn jarenlange alcoholverslaving. Debord: 'Ziekte, alcoholische polyneuritus genaamd, opgedoken in de lente van 1990, in het begin haast onmerkbaar, daarna progressief, om pas vanaf het einde van november 1994 echt pijnlijk te worden. Zoals bij elke ongeneeslijke ziekte wint men er veel bij door geen hulp in te roepen noch door zich te laten verzorgen. Het is het tegendeel van een ziekte die men kan oplopen door een spijtige onvoorzichtigheid te begaan. Daartegenover is de koppige volharding van een heel leven vereist.'

De Consul
De passages die Debord over alcohol geschreven heeft, behoren tot de mooiste uit zijn oeuvre. 'Een van de weinige dingen die ik graag gedaan heb, en die ik goed gedaan heb, die ik ongetwijfeld als de beste gedaan heb, is drinken. Alhoewel ik veel gelezen heb, heb ik nog meer gedronken. Ik heb veel minder geschreven dan het merendeel van de mensen die schrijven; maar ik heb veel meer gedronken dan het merendeel van de mensen die drinken.'

Under the vulcano van Malcolm Lowry was dan ook Debords lijfboek. De in alcohol gedrenkte zwalptochten van de Consul, in de schaduw van de Popocatepetl, zijn hem welbekend. In een brief uit oktober 1960 verhaalt hij van een dergelijke zwalptocht. Hij vertelt dat hij het boek helemaal herlezen had, op de trein tussen München en Genua. Hij vond het nog mooier, nog 'intelligenter' dan bij de eerste lezing. Hij was uitgestapt in een klein dorpje op een heuvel, hij wilde een meisje gaan opzoeken dat enkele jaren voordien veel voor hem betekend had. Maar zij was niet thuis ('maar wat had er kunnen geworden van een dergelijke terugkomst indien zij er wel geweest was?'). Debord bekent dat hij stomdronken was, en van de ene bar naar de andere heen trok. Willens nillens was hij getuige van een heftige discussie tussen een groepje jonge mannen en één van hun makkers, die zijn jonge vrouw verlaten had. Even later ontwaarde hij, vlakbij een vijvertje, een 'verlaten meisje' dat tegen een standbeeld geleund stond. 'En, enkele glazen verder, liep deze triestheid over, en werd ze nog versterkt, in de herinnering aan het verbazingwekkende begin van de film van Nicholas Ray, Johnny Guitar, dat zo'n merkwaardige ambiguïteit tentoonspreidt...'

Guy Debord zal in 1973 het fragment uit Johnny Guitar in zijn verfilming van De spektakelmaatschappij inlassen.

In de saloon van Vienna - het is nacht - zit Johnny Guitar in zijn eentje te drinken. Vienna verschijnt en vraagt hem: 'Amuseer je je goed, mijnheer Logan?' Johnny antwoordt: 'Ik kon niet slapen.' Vienna: 'Denk je dat alcohol je zal helpen?' Johnny: 'En jij, wat houdt jou wakker?' Zij: 'Dromen, nare dromen.' Hij: 'Ik heb er soms ook. Hier! Dat zal ze helpen verdrijven.' Vienna weigert het glas aan te nemen: 'Ik heb dat al geprobeerd, maar het is niet gelukt.' Johnny zegt haar: 'Hoeveel mannen heb je vergeten?' Zij antwoordt: 'En jij, hoeveel vrouwen herinner jij je?' (De melodie van 'Johnny Guitar' wordt langzaam luider.)

'Een wijk waar de negatie hof hield'
De figuur van Johnny Guitar riep bij Debord de herinnering op aan een van zijn jeugdvrienden in het Parijs van de vroege jaren vijftig.




'Ik heb mijn tijd verdaan in enkele landen van Europa, en het was in het midden van de eeuw - ik was toen 19 - dat ik begonnen ben een volkomen onafhankelijk leven te leiden. Onmiddellijk voelde ik mij thuis in de kliek met de slechtste reputatie. Dat was in Parijs, een stad die toen zo mooi was dat velen het verkozen er arm te zijn, veeleer dan rijk om-het-even-waar elders.'

In het najaar van 1951 was Debord naar Parijs getrokken. Hij had op het Festival van Cannes een groepje jonge oproerkraaiers ontmoet, die er een experimentele film vertoonden, en keet schopten. Dat lag hem wel. Hij reisde hen achterna. Parijs zou zijn thuishaven worden.

In 1978 maakte Debord de autobiografische film In girum imus nocte et consummimur igni. Dit is een palindroom - de regel kan even goed van achter naar voren gelezen worden -, en betekent in vertaling: 'Wij dolen rond door de nacht en worden verteerd door het vuur.' In deze film zal Debord herinneringen uit het Parijs van de jaren '50 ophalen:

'Parijs toen, binnen de grenzen van zijn twintig arrondissementen, sliep nooit helemaal, en stond de belhamels toe om drie keer per nacht van wijk te veranderen. Men had de bewoners nog niet weggejaagd en uit elkaar gedreven. Het volk dat tien keer zijn straten gebarricadeerd en koningen verdreven had, bestond nog. Het was een volk dat zijn reputatie alle eer aandeed. Men zou nooit gedurfd hebben, toen het in zijn stad woonde, het te laten proeven of drinken van de chemische ersatz die men nog niet had durven uitvinden. De huizen in het centrum waren nog niet verlaten, of doorverkocht aan cinemabezoekers die elders geboren zijn, onder andere balken. De moderne koopwaar had nog niet getoond wat men allemaal een straat kan aandoen. Niemand was, omwille van de urbanisten, verplicht om ver weg te gaan slapen. Men had nog niet, door de schuld van de regering, de hemel zien verduisteren en het goede weer zien verdwijnen. De valse mist van de luchtverontreiniging hing nog niet permanent over het mechanische verkeer in deze troosteloze vallei. De bomen waren niet verstikt; en de sterren waren door het oprukken van de vervreemding nog niet uitgedoofd.'

In de film In girim..., waaraan we deze woorden ontlenen, komt hij tot het besluit: 'Parijs bestaat niet meer'. En hij prijst zich gelukkig dat hij haar nog heeft mogen kennen. 'Het was een groot geluk jong geweest te zijn in deze stad toen zij, voor de laatste keer, gegloeid heeft van zo'n intens vuur.'

Er bestond toen op de linkeroever van de rivier, zo verhaalt hij, 'een wijk waar de negatie hof hield'. Het centrum kon niets anders zijn dan een café. 'Elkeen dronk per dag méér glazen wijn dan de vakbond tijdens een ganse wilde staking aan leugens vertellen kan. Bendes politieagenten, wier plotselinge optredens voorbereid waren door een groot aantal verklikkers, bleven binnenvallen onder allerlei voorwendsels, maar meestal met de bedoeling om drugs te vatten, en meisjes die nog geen 18 waren.'

'Als ik het over hen heb,' zegt Debord, 'lijkt het er misschien op dat ik glimlach; maar dat moeten jullie niet denken. Ik dronk hun wijn. Ik blijf hen trouw.'
plaatjes/I-3a.jpg
'Wij vervelen ons in de stad...'
De jeugdvriend die hem jaren later nog aan Johnny Guitar deed denken, was één van hen. Hij droeg de onmogelijke naam Ivan Chtcheglov. 'Men zou gezworen hebben dat hij, enkel door ernaar te kijken, de stad en het leven veranderde. Hij ontdekte op één jaar tijd genoeg eisen voor een ganse eeuw; de dieptes en mysteries van de stedelijke ruimte waren zijn ontdekking.'

Op 19-jarige leeftijd schreef hij onder het pseudoniem Gilles Ivain een visionaire tekst, die richtinggevend zou zijn voor de Situationistische Internationale. Onder de titel Sire, ik kom uit het andere land schreef hij: 'Wij vervelen ons in de stad, er is geen zonnetempel meer. Tussen de benen van de voorbij wandelende vrouwen hadden de dadaïsten een Engelse sleutel willen vinden en de surrealisten een kristallen bol, allemaal vergeefse moeite... Wij vervelen ons in de stad, je moet je het vuur uit de sloffen lopen om nog mysteriën te kunnen ontdekken op de aanplakborden langs de openbare weg...'


Ivan Chtcheglov weet de tijd op de kop te tikken: 'Een geestesziekte heeft zich meester gemaakt van de planeet: de banalisering. Iedereen is gehypnotiseerd door de productie en het comfort: riolering, lift, badkamer, wasmachine. Deze feitelijke toestand, ontstaan uit protest tegen de armoede, schiet haar veraf gelegen doel - de bevrijding van de mens van zijn materiële zorgen - voorbij en is in het hier en nu een obsessie geworden.' Volgens de jonge situationist was 'een volledige geestelijke omwenteling' noodzakelijk en deze moest gebeuren 'door de vergeten verlangens in het volle licht te plaatsen en geheel nieuwe te scheppen'. Deze behoefte tot absolute creatie is voor de situationist nauw verbonden met de behoefte om met architectuur, om met tijd en ruimte te spelen. Hij droomt over nieuwe steden waarin geëxperimenteerd wordt met gedragsvormen. 'In deze steden zullen - behalve woningen uitgerust met een minimum aan comfort en veiligheid - op stelselmatige wijze gebouwen met een groot emotie-oproepend en uitstralend vermogen gevoegd worden bij symbolische bouwwerken die dromen, vermogens en gebeurtenissen uit verleden, heden en toekomst uitbeelden... De wijken van deze stad zouden overeen kunnen stemmen met diverse, geregistreerde gevoelens waardoor je toevallig getroffen wordt in het gewone dagelijkse leven. De Bizarre Wijk, de Gelukkige Wijk - speciaal bedoeld om in te wonen -, de Edele en Tragische Wijk (voor brave kinderen), de Historische Wijk (musea en scholen), de Nuttige Wijk (ziekenhuis en gereedschapswinkels), de Onheilspellende Wijk etc... Misschien ook een Wijk van de Dood, niet om er te sterven maar om er in vrede te leven en hierbij denk ik aan Mexico en aan een principe van wreedheid in onschuld dat me iedere dag dierbaarder wordt.'

In het centrum van de Onheilspellende Wijk voorziet Ivan Chtcheglov het 'Plein van het Monsterlijk Mobiel' - ook wel Automobiel genoemd. 'De verzadiging van de markt door een product veroorzaakt een daling van de omzet van dit product: kinderen en volwassenen zouden door ontdekkingstochten in de Onheilspellende Wijk leren om niet meer bevreesd te zijn voor de angstige kanten van het leven, maar om er plezier aan te beleven.'

'De belangrijkste bezigheid van de bewoners in deze denkbeeldige steden van de toekomst zal bestaan uit het continu ronddolen,' zo stelt Ivan Chtcheglov. 'Door ieder uur in een ander landschap te verkeren ontstaat het gevoel van totale vervreemding.'

Later zal Debord getuigen: 'De formule om de wereld omver te werpen hebben we niet gevonden in de boeken, maar al ronddolend.'

Ronddolen
Verdeeld in groepjes van twee tot drie personen - 'die allen over eenzelfde bewustzijnsniveau beschikken' - organiseren de situationisten dooltochten door Parijs. 'Wanneer een of meerdere personen zich aan het ronddolen wijden, zien zij voor kortere of langere tijd af van hun normale verplaatsings- of handelingsmotieven, van hun eigen relaties, werk en vrijetijdsbesteding, om zich over te geven aan de prikkels van de omgeving en de daarmee gepaard gaande ontmoetingen. Het aandeel van het toeval is hierbij minder doorslaggevend dan we denken. Vanuit het standpunt van het ronddolen gezien, beschikken steden over een psychogeografisch reliëf met constante stromen, vaste punten en maalstromen die het betreden of verlaten van bepaalde zones sterk bemoeilijken.'







Op zoek naar humor en poëzie vinden de situationisten enkel maar triestheid en banaliteit. Net zoals op een schilderij van De Chirico een lege ruimte voelbaar wordt, men zich bewust wordt van de afwezigheid van iets, net zo zien de situationisten overal leegtes. Zij stellen zich tot doel de afwezigheid voelbaar te maken, met de bedoeling de leegte opnieuw te vullen: 'In zekere zin zal iedereen in zijn eigen "kathedraal" wonen. Er zullen kamers zijn die meer levendige fantasieën opwekken dan welke drug ook, waarin je alleen maar kunt liefhebben.'

Het ronddolen is bij uitstek een praktijk van de door de industrie getransformeerde grote steden. Als zodanig zou het beantwoorden aan een zinsnede van Marx: 'Om hen heen zien de mensen niets anders dan hun evenbeeld, alles vertelt hen over henzelf. Zelfs hun landschap is bezield.' Het veranderen van omgeving roept dan ook nieuwe gevoelens op, die eerst passief ondergaan worden, om vervolgens, met de vergroting van het bewustzijn, contructieve reacties op te roepen. Psychogeografie noemen de situationisten dit. In navolging van Thomas de Quincey, die hen met zijn boek Confessions of an English Opium Eater (1821) sterk beïnvloedde, gaan zij op zoek naar 'de toegang tot het noordwesten': 'Door verbeten mijn toegang tot het noordwesten te zoeken, en alle kapen en klippen te vermijden die ik op mijn eerste tocht tegengekomen was, kwam ik plotseling in een labyrint van kleine straatjes en steegjes terecht... Ik was soms zelfs zo ver te geloven dat ik, als eerste en enige, die terra incognitea kwam te ontdekken, en ik twijfelde eraan of ze op de moderne kaarten van Londen vermeld stonden.' Op het einde van de eeuw is dit gevoel in de roman zo algemeen erkend dat Robert Louis Stevenson in New Arabian Nights een personage uitbeeldt dat 's nachts door Londen loopt en zich erover verbaast 'zo lang door een zo complex decor te lopen, zonder al was het maar de schaduw van een avontuur te ontmoeten'.

Om de leegte van een labyrintische wereld tegen te gaan, stellen de situationisten zich tot doel 'avonturen te construeren'.

Een handig hulpmiddel daartoe levert de verdraaiing. 'Verdraaiing betekent, in de ruime zin van het woord, dat alles opnieuw ter discussie wordt gesteld en op het spel gezet.' Dat schrijft Raoul Vaneigem in Handboek voor de jonge generatie (1967). Hij geeft een voorbeeld. 'Bij het vallen van de avond zijn mijn vrienden en ik eens het gerechtshof in Brussel binnengedrongen. Het is een knots van een gebouw dat met zijn enorme afmetingen de lager gelegen arme wijken plat drukt en de rijke Louisalaan, waarvan we eens een geweldig boeiend wild stuk land zullen maken, afschermt. Terwijl we daar zo in het wilde weg ronddwaalden door een doolhof van gangen, trappen en ineenlopende kamers, maakten we allerlei vage plannen hoe we het gebouw konden inrichten, we namen het veroverde gebied in bezit en veranderden dat oord van misdaad en straf in een fantastisch kermisterrein, een Tuin der Lusten waar we graag het voorrecht zouden genieten de pikantste avonturen werkelijk te beleven.'

Poëzie
De situationisten beogen niets minder dan het poëtisch maken van de wereld. In het middelpunt van hun gevecht tegen de ver- vreemding staat het taalprobleem. 'Wij leven in de taal als in ver- vuilde lucht. In tegenspraak met wat intellectuelen beweren, spelen woorden niet. Ze bedrijven niet de liefde, zoals Breton meende, behalve in de droom. Woorden werken voor rekening van de heersende organisatie van het leven. En toch zijn ze niet geautomatiseerd.' Waar de situationisten zich vooral tegen verzetten is de reducering van woorden tot 'informatie'. 'De organisatie van de taal is in een dusdanige staat van verwarring geraakt dat de door de macht opgelegde communicatie zich blootgeeft als leugen en bedrog. Tevergeefs probeert een ontkiemende cybernetische macht de taal ondergeschikt te maken aan de door haar gecontroleerde machines, en wel op zo'n manier dat informatie voortaan de enig mogelijke communicatie is.'

Dit idee wordt ontvouwd door een niet bij naam genoemde situationist in een tekst met als titel All the king's men. We schrijven 1963. De auteur ontkent iedere eenzijdige 'communicatie' binnen de oude kunst of binnen de moderne 'informatica'. Hij roept op tot een communicatie die elke vorm van afzonderlijke macht vernietigt. 'Waar communicatie is, is geen staat.' Hij pleit voor een soort sovjets of 'communicatieraden' om overal een directe communicatie in te voeren, die zich niet meer hoeft te behelpen met het communicatienetwerk van de tegenstander (d.w.z. met de taal van de macht) en zo in staat is de wereld overeenkomstig haar eigen wensen en verlangens te veranderen. 'Het gaat er niet om de poëzie in dienst van de revolutie, maar omgekeerd de revolutie in dienst van de poëzie te stellen. Alleen dan pleegt de revolutie geen verraad aan haar eigen project. Wij willen niet nog een keer de vergissing van de surrealisten begaan die zich in dienst van de revolutie stelden, toen die alweer tot het verleden behoorde.'

'Iedere revolutie heeft haar wortels in de poëzie, wordt in de eerste plaats gecreëerd door de kracht van de poëzie,' zo stelt de auteur. 'De poëzie is steeds duidelijker de lege ruimte geworden, de anti-materie van de consumptiemaatschappij, omdat zij een niet te consumeren artikel is...' Tegenover de evolutie naar een 'cybernetische staat' - met zijn vertaalmachines waarin iedere nieuwe betekenis van een woord geweerd wordt -, stelt de auteur zijn hoop in een 'poëtisch avontuur'. 'Ook de vrije gedachte kan zich organiseren in een illegaal netwerk dat oncontroleerbaar is voor de techniek van de informaticapolitie.'

'De taak van ons tijdperk is niet meer poëtische leuzen te schrijven', zo waarschuwt hij ten slotte, 'maar deze uit te voeren.' We voelen hoe de contestatie dichterbij komt.

Woordenboek
In een andere tekst, De geketende woorden, uit 1966, pleit Mustapha Khayati voor een situationistisch woordenboek. 'Elke revolutionaire theorie heeft zijn eigen woorden moeten uitvinden, de heersende betekenis van andere woorden moeten vernietigen en nieuwe posities in de "wereld van betekenissen" moeten invoeren, die overeenstemmen met de nieuwe realiteit die in wording is, en die dient bevrijd te worden van de heersende nonsens.' Tegenwoordig heerst de trieste realiteit dat taal door de macht toegeëigend wordt en tot materiële drager van diens ideologie verworden is. 'Dat de taal op de eerste plaats een communicatiemiddel tussen mensen is, dat wordt door de bureaucratie ontkend. Omdat elke communicatie via taal verloopt, hebben de mensen zelfs niet meer de behoefte om met elkaar te praten: zij moeten op de eerste plaats hun rol van ontvanger opnemen, in het informatienetwerk waartoe heel de maatschappij gereduceerd wordt, ontvangers van bevelen die dienen uitgevoerd te worden.'

Het is onmogelijk zich van een wereld te ontdoen, zo stelt Khayati, zonder zich te ontdoen van de taal die haar verbergt en beschermt. Zoals George Orwell de 'Newspeak' aan een kritische analyse onderwierp, en Poolse intellectuelen de stalinistische 'stereotype taal' ontmaskerden, zo zou men nu de taal van de cybernetische machine moeten ontkrachten. Hiermee plaatsen de situationisten zich in de traditie van dada en het surrealisme. 'De dadaïsten hebben als eerste hun wantrouwen in de woorden betuigd, onlosmakelijk verbonden met een wil om "het leven te veranderen". Zij hebben, na de Sade, gebruik gemaakt van het recht om alles te zeggen, om de woorden te verlossen en om "de alchemie van het woord te vervangen door een werkelijke alchemie" (Breton). De onschuld van de woorden wordt van dan af bewust aangeklaagd, en de taal wordt opgevat als "de ergste van alle conventies" die moet worden vernietigd, gedemystifieerd en bevrijd.'

Het project van bevrijding van de woorden is historisch te vergelijken met de onderneming van de Encyclopedisten. Maar terwijl deze laatsten veeleer de eigen verscheurdheid van de burgerlijke denkers uitdrukten, zouden de situationisten op de eerste plaats 'de praktijk die de wereld verscheurt' willen viseren, 'te beginnen met het verscheuren van de sluiers die haar verbergen.'

Crisis van de steden
'Wij vervelen ons in de stad,' had Ivan Chtcheglov geschreven. Architectuur en stadsplanning zouden een belangrijke bekommernis van de situationisten blijven. 'De crisis van de steden verergert,' schreef de Nederlandse situationist Constant. 'De opbouw van oude en nieuwe wijken is niet in overeenstemming met de heersende handelswijze, en nog minder met de nieuwe leefwijze die wij nastreven. Een droefgeestige en steriele sfeer van onze omgeving is het resultaat. In de oude wijken zijn de straten tot autowegen vervallen, de ontspanning is gecommercialiseerd en vervormd door het toerisme. De sociale verhoudingen worden er onmogelijk. De nieuwbouwwijken worden overheerst door twee thema's: het autoverkeer en het binnenhuiscomfort. Zij zijn de miserabele uitdrukking van het burgerlijk geluk, en elke ludieke gedachte is afwezig. Tegenover de noodzaak om snel hele steden uit de grond te stampen, is men bezig met begraafplaatsen uit gewapend beton te bouwen, waar de meerderheid van de bevolking veroordeeld wordt om er zich in dood te vervelen. Welnu, waartoe dienen de meest duizelingwekkende technische uitvindingen waar de wereld op dit ogenblik over beschikt, als de voorwaarden ontbreken om er profijt uit te trekken, als zij niets bijbrengen aan de ontspanning, als de verbeelding achterwege blijft?'

Om zijn ideeën concreet gestalte te geven was Constant begonnen aan zijn New Babylonproject: een reeks van maquettes die samen het model moesten vormen voor een 'overdekte stad'. In Internationale Situationniste schetst Constant een situationistische stad, gemonteerd op palen, waarin spelen met de omgeving, labyrintische huizen en mobiele wanden de scheiding tussen speel- en woonzones moesten opheffen. In het midden van de jaren zestig zou hij met New Babylon de Nederlandse provo's verregaand beïnvloeden.

Nozems
De situationisten zijn er getuige van hoe een op produceren afgestemde economie afgelost wordt door een consumptiemaatschappij. Leek voor sommigen de toename van de vrije tijd naar het rijk der vrijheid te wijzen, dan menen de situationisten een 'kolonisering van het dagelijkse leven' te ontwaren: 'de uitbuiting van de arbeidskracht wordt ingekapseld in de uitbuiting van de dagelijkse creativiteit' (Vaneigem).

De situationisten schrikken er niet voor terug te spreken van een 'nieuwe armoede': in de arbeid is elke handeling van zin ontdaan, in de vrije tijd worden de individuen gereduceerd tot passieve consumptieslaven. Deze maatschappij atomiseert de mensen tot geïsoleerde consumenten, die niet meer in staat zijn tot creativiteit, zelfs niet meer tot de meest elementaire communicatie. De mensen leiden een passief bestaan, opgesloten binnen het kader van hun gezin. Hun leven wordt verlaagd tot de zuivere banaliteit van de herhaling, gecombineerd met de verplichte absorptie van een spektakel dat eveneens herhaling is. De maatschappij van de consumptie en van de vrije tijd wordt beleefd als een maatschappij van de lege tijd, als consumptie van leegte.

In het begin van de jaren zestig zien de situationisten iets veranderen bij de jongeren. De kranten schrijven verontwaardigd over de blousons noirs, de vetkuiven of nozems, die zelfs de meest lichtgelovigen aan het twijfelen brengen over de kansen om het individu te kunnen integreren in het model van het gestandaardiseerde leven van de consumptiemaatschappij. De situationisten stellen vast dat de maatschappij er niet langer in slaagt de jongeren te omkaderen, en daarom nemen zij de 'onvoorwaardelijke verdediging' op zich van deze jongerenbendes, van al hun gewelddadige en gratuite acties in de meest vervreemde wijken van de grootstedelijke nieuwbouwcomplexen.

In dat prille begin van de zestiger jaren stellen de situationisten zich tot doel de agressiviteit van de blousons noirs op het vlak van de ideeën over te dragen. Zij wilden aan de jonge opstandelingen de taal van hun revolte leveren: de provocatie, de spot, de belediging, het gebrek aan respect. In één woord: het schandaal.

Een nieuw soort schandalen
'Vanuit het grote gebied van de non-communicatie en het isolement dat door de huidige maatschappelijke orde wordt georganiseerd, klinken signalen op van een nieuw soort schandalen, schandalen die zich van het ene naar het andere land, van het ene continent naar het andere verplaatsen: de uitwisseling is al begonnen.' Dit schrijft Guy Debord in 1963. Hij ziet de 'opheffing van de kunst', waar de Situationistische Internationale voor pleit, gerealiseerd in een aantal acties - 'een nieuw soort schandalen' - waar hij helemaal achter kan staan.


'Op 16 januari pleegde een aantal revolutionaire studenten in Caracas een gewapende overval op een tentoonstelling die gewijd was aan Franse kunst, waarbij zij vijf schilderijen meenamen. In ruil daarvoor eisten zij de vrijlating van politieke gevangenen. Na een schietpartij... konden de ordehandhavers de schilderijen weer in beslag nemen. Enkele dagen later gooiden andere kameraden twee bommen naar politiewagens die de heroverde schilderijen vervoerden. Spijtiggenoeg is het hen niet gelukt de schilderijen te vernielen.'

Volgens Debord is dit een duidelijk voorbeeld hoe met kunst uit het verleden dient te worden omgegaan, hoe haar weer een rol van betekenis te laten spelen. Dit voorval in Caracas werd volgens hem weer verbonden met een van de hoogtepunten van de revolutionaire opstand uit de 19de eeuw, en ging zelfs nog een stap verder. 'Tijdens de opstand van 1849 te Dresden had Bakoenin voorgesteld, zonder dat dit navolging vond, schilderijen uit het museum te halen en ze op de barricaden bij de invalsweg van de stad te plaatsen om te zien of de aanvallende troepen erdoor weerhouden zouden worden het vuur te openen.'

Niet minder gemotiveerd leek hem de actie van een groepje Denen die brandbommen gooide naar reisbureaus die toeristenreizen naar het franquistische Spanje organiseerden, of die illegale radio-uitzendingen verzorgde om het publiek te waarschuwen voor het gebruik van kernwapens.

Guerilla in de massamedia
De Franse situationist René Viénet stelt voor het verdraaiingsprincipe op verschillende terreinen toe te passen. Verdraaiing van fotoromans, van reclameaffiches door middel van tekstballonnen met een subversieve inhoud. Guerilla in de massamedia: piratenradio's, valse uitgaves van befaamde kranten en tijdschriften, het verstoren van radio- en TV-uitzendingen. Het uitwerken van situationistische strips: 'De stripverhalen vormen de enige werkelijk volkse literatuur van deze eeuw.'

Viénet neemt zich eveneens voor situationistische films te maken: 'De film, die het nieuwste en ongetwijfeld meest bruikbare expressiemiddel van deze tijd is, is bijna driekwart eeuw ter plaatse blijven trappelen... Laten we ons het gestotter van deze nieuwe schriftuur eigen maken; laten we ons vooral de meest volkomen, de meest moderne voorbeelden eigenmaken, die welke ontsnapt zijn aan de artistieke ideologie, zoals de Amerikaanse B-series: de nieuwsbeelden, de aankondigingen, en vooral de reclamefilm. De reclamefilm, die in dienst staat van de waar en van het spektakel - dat is het minste wat men ervan kan zeggen -, maar vrij is in haar middelen, heeft de basis gelegd van wat Einsenstein beoogde toen hij erover sprak Kritiek van de Politieke Economie of De Duitse Ideologie te verfilmen.' De film leent zich volgens hem bijzonder goed tot de studie van de hedendaagse tijd en tot de ontmanteling van de vervreemdingsprocessen. Dat zal dan ook Debords doelstelling zijn wanneer hij in 1973 zijn boek De spektakelmaatschappij tot een film omwerkt.

In de woorden van Viénet zijn de situationisten zich bewust van 'het succes van de graffiti's in de WC's, vooral in die van de café's', en ze zullen dan ook in mei '68 op grote schaal de muren van de Sorbonne bepalen. Een reclamespecialist zou de actie van de auteurs van de graffiti samenvatten met de formule: 'Zij hebben de publiciteit op haar eigen terrein en met haar eigen wapens bekampt.'

Provo
Het is in de context van de opleving van een contestatiegolf die de wereld in de jaren '60 overspoelt, dat de situationisten zelf bij een aantal bewegingen actief betrokken raken. In de loop van 1964 had de Situationistische Internationale in Spanje en in Denemarken verschillende verdraaide strips uitgegeven. Het ging om een nieuwe propaganda- vorm, waarin bijvoorbeeld een naakt meisje uit een pornoboekje door middel van een subversief ballonnetje zegt: 'De emancipatie van de arbeiders zal het werk van de arbeiders zelf zijn,' of: 'Ik ken niets beters dan te slapen met een mijnwerker van Asturias. Dat zijn pas mannen!' Op die manier werd zowel de zuiver politieke censuur als de morele censuur van de kerk geprovoceerd. Dit leidde in Denemarken tot een klacht tegen de situationist Jeppesen Victor Martin, door de vereniging 'Morele Herbewapening'. Hij werd beschuldigd van inbreuk op de moraal en de goede zeden, pornografie, smaad aan de Staat en de Deense kroon. Deze beschuldigingen wekten de belangstelling van de Deense pers op, wat maakte dat Martin de activiteiten van de situationisten op grote schaal kon bekendmaken. De beruchtheid die hij daarbij verwierf, stond hem korte tijd later toe een van de eerste incidenten uit te lokken waarbij de bevolking zich tegen de troepen van de NATO opstelde. De Atlantische Verdragsorganisatie had beslist dat Duitse troepen samen met het Deense leger manoeuvers zouden uitvoeren in Randers, de plaats waar Martin verbleef. Martin richtte met enkele medestanders een comité op dat opriep om zich met geweld tegen de legeroefeningen te verzetten. Er volgden gewelddadige gevechten tussen de tegenstanders en de Deense soldaten en politie, en de wagens van het Duitse leger hadden de grootste moeite om tot in de kazernes te geraken. De actie was lonend, want de Duitse regering beloofde om het experiment niet meer de herhalen. De affaire had evenwel een minder prettige afloop voor Martin: twee dagen na de straatgevechten ontplofte er een krachtige bom in zijn woning - dat als 'hoofdkwartier' van de situationisten beschouwd werd -, net op het ogenblik dat hij er buitenging, en waarbij heel het gebouw in de vlammen opging. Martin werd ogenblikkelijk aangehouden op beschuldiging van terroristische activiteiten.
Tot men ontdekte dat de bom er geplaatst was door een duistere provocateur in dienst van de Deense politie.

De incidenten van Randers waren voor de situationisten de eerste gelegenheid waarin zij actief tussenkwamen in de jongerencontestatie, die in de eerste helft van de zestiger jaren tot ontwikkeling kwam. Om de ware omvang te kunnen inschatten van het schandaal dat Martin en zijn Deense medestanders op gang gebracht hadden, dient men voor ogen te houden dat in 1966 in Nederland de provobeweging ontstaan was: een gewelddadige en georganiseerde contestatie van de welvaartsmaatschappij en het spektakel. De incidenten van Randers volgden kort op de rellen die de provo's in maart 1966 in Amsterdam ontketend hadden, als protest tegen het huwelijk van Beatrix en Claus: na afloop van een protest-happening begonnen jongeren tegen de huwelijksoptocht te ageren, wat uitliep op urenlange gevechten met de politie. Dit werd door de Nederlandse TV uitgezonden, waardoor de provobeweging een weerklank kreeg over heel de wereld. Haar wekelijkse happenings, die in het begin zeer beperkt waren, groeiden aan tot waarachtige massamanifestaties tegen de repressie van de zogenaamde westerse democratieën. Het protest van de jonge Nederlanders had als eerste doelstelling een debat te provoceren (vandaar de term provo), waarbij de overheid gedwongen werd haar ware gelaat te tonen, het gelaat van botte repressie, in de hoop dat deze schandalen een bewustwording bij de bevolking over hun miserabele leefomstandigheden zou op gang brengen.

De provo's plaatsten zich in het verlengde van de situationistische kritiek (tegen de kapitalistische overvloed, voor een versmelting van de kunst en het dagelijkse leven, enz). Dit was niet helemaal toevallig. Via de Nederlandse ex-situationist Constant, die door de provo's op de handen gedragen werd, hadden zij kennis gemaakt met de stellingen van de Situationistische Internationale.

Het schandaal van Straatsburg
Het was vooral het schandaal van Straatsburg, op het einde van 1966, dat van beslissend belang zou zijn voor de verspreiding van de situationistische stellingen, in Frankrijk en in vele andere landen.

De vervelende cursussen beu en afkerig van de enggeestigheid van de linkse jongerengroeperingen, kwamen in de lente van 1966 vijf studenten van Straatsburg op het idee om de door de regering gesteunde studentenbond over te nemen. Zij stelden zich kandidaat voor de studentenverkiezingen, en werden dank zij de overweldigende apathie van hun medestudenten verkozen in de bestuursraad. Zij namen contact op met de Situationistische Internationale, en toen gingen de poppen aan het dansen. In een elegant gedrukte editie van 10 000 exemplaren verscheen er kort nadien een pamflet, onder de naam van de officiële studentenvereniging maar in feite geschreven door de situationist Mustapha Khayati. Het was genoemd: Over de armoede van het studentenmilieu, met name haar economische, politieke, psychologische, sexuele en in het bijzonder intellectuele aspecten, en enkele middelen om eraan te verhelpen. Met slogans die aan zinnen van Marx ontleend waren ('schaamte nog schaamtevoller maken door het openlijk bekend te maken'), condenseerde het geschrift haast een decennium van situationistische teksten tot 28 heftige bladzijden, die de draak staken met de universiteit ('de geïnstitutionaliseerde organisatie van de onwetendheid'), de professoren, het 'Idee van Jeugd' (een kapitalistische 'reclamemythe'), de 'beroemdheden van de Onintelligentie' (Sartre, Althusser, Barthes), moderne cultuur, en niet te vergeten de arbeidsethiek, de regering, de economie, de kerk en het gezin. Als de zwijgzame partner van de burgerlijke hegemonie werd traditioneel links en alle uiterst-linkse partijtjes naar dezelfde vuilnisbelt verwezen. Er bestond een nieuw proletariaat, niet door arbeid of armoede gedefinieerd, maar bestaande uit iedereen 'die geen macht heeft over zijn eigen leven en die dit weet'. Er ontstond een nieuwe revolte, gericht tegen elke hiërarchie en ideologie, voor autonomie en een doelgerichte geschiedenis: een oorlog aan de armoede van de waar, voor de rijkheid van de tijd. Deze revolte was nog partieel en verward, verloor zichzelf in de 'pure, nihilistische weigering' van jongerendelinquentie of in 'de massale consumptie van drugs' ('een uitdrukking van echte armoede en van protest ertegen'). Deze revolte werd zich evenwel meer en meer bewust van zichzelf, zoekend naar haar theorie en haar theorie zoekend naar haar praktijk. Je kon het zien in heel de wereld, zei Khayati: in het Westen in de Free Speech Movement in Berkeley, in Oost-Europa in de geschriften van de dissidenten.

In het najaar van 1966 had het geschrift aan de universiteit van Straatsburg een ware wervelwind veroorzaakt: er was geen heilig huisje meer dat overeind bleef, lessen werden onderbroken en professoren werden onder kritiek bedolven. Na zes weken van chaos greep de rector in. Hij ontbond de studentenvereniging en stuurde de vijf belhamels weg.

Dit alles had tot gevolg dat er in het jaar na het 'schandaal van Straatsburg' tussen 250 000 en 300 000 copies van 'Over de armoede van het studentenmilieu' hun weg naar de lezer vonden. In scholen in heel Frankrijk werden er kleine groepjes gevormd die zich spiegelden aan het voorbeeld van Straatsburg, en geïnteresseerd raakten in de situationisten.

De Enragés
In het begin van 1968 kwam er in Nanterre, een universiteit van Parijs, een handjevol sympathisanten van de Situationistische Internationale samen. Ze noemden zich de Enragés, naar een radicale fractie van de Franse Revolutie. Zij schilderden slogans op de muren ('leven zonder dode tijd', 'verveling is altijd contrarevolutionair', 'ik neem mijn wensen voor werkelijkheid omdat ik in de realiteit van mijn wensen geloof'), en verstoorden de lessen gedurende twee volle maanden. Vele studenten waren verontwaardigd, sommigen werden begeesterd. Enkelen, aangevoerd door Cohn-Bendit, grepen de kans om universitaire hervormingen en de integratie van jongens- en meisjespeda's te eisen. Dat veroorzaakte een schandaal. De pers schreef erover. Er werden massameetings gehouden. Studenten begonnen hun studies te bekritizeren, vervolgens de universiteit, daarna het idee van de universiteit zelf. De Enragés hingen een groot spandoek boven de ingang van de campus: 'Werk nooit'. Spoedig nam de agitatie toe, de pers kreeg nog meer belangstelling, en op 2 mei besloot de decaan om de universiteit te sluiten. Op dezelfde dag werden er disciplinaire maatregelen aangekondigd tegen Enragé René Riesel, Cohn-Bendit en 6 anderen - en 'wat volgde', schreef Le Monde, 'overtrof in omvang en geweld alles wat in een reeds verbazingwekkende dag gebeurd was'.

Het conflict, zoals het zich in de komende weken ontplooide, was minder een conflict van mensen in opstand en een regering die haar gezag verloor, alswel een conflict tussen georganiseerde krachten van ordentelijk protest en het verlangen naar ontbinding. De publieke ruimte was plotseling leeg, een vrij veld: praktische voorstellen voor de verdaging van de examens en de liberalisering van de inschrijvingsvoorwaarden tot de universiteit kwamen in botsing met de dolle abstractie van radicale eisen ('hoe meer je consumeert, des te minder leef je'), slogans die op dat ogenblik helemaal niet gek of abstract gevonden werden. Goed georganiseerde, geweldloze betogingen sloegen over in een potlatch van traangas, wapenstokken en brandbommen aan de ene kant, stenen, barricades, brandende auto's en molotovcocktails aan de andere kant. Een algemene 24-urenstaking die uitgeroepen werd door de Communistische Partij en de communistische vakbond CGT (het voorwendsel was protest tegen het brutale politie-optreden, het motief was loonsverhoging) sloeg over in een algemene wilde staking van tien miljoen arbeiders, met talrijke bedrijfsbezettingen.








Op 14 mei smolten de Enragés en de situationisten samen. René Riesel werd gekozen in het comité voor de bezetting van de Sorbonne, dat op zijn aandringen opgevat werd als een revolutionaire raad: een permanente algemene vergadering, open voor iedereen, elke vertegenwoordiger werd elke dag opnieuw gekozen. Sommige sprekers pleitten voor de humanizering van het pedagogische apparaat. Riesel, met de allures van een nozem, sprak voor de afschaffing van de universiteit, van de waar, van het klassensysteem, van de loonarbeid, van 'het spektakel', van 'overleving', van de 'opheffing van de kunst' en van diens 'verwezenlijking'. In naam van de algemene vergadering begonnen de Enragés en de situationisten contact op te nemen met de bezette bedrijven.

Enkele dagen later richtten zij, samen met een veertigtal anderen, de Raad voor het Behoud van de Bezettingen op, en tot 15 juni verspreidden ze honderdduizenden kopieën van hun posters, manifesten en strips over heel het land en, vertaald in een half dozijn talen, over heel de wereld.
 
'Snel!'
Voor de situationisten betekende de meirevolte de weigering van de vervreemdende arbeid, ze betekende dus het feest en het spel. Het was even zeer de weigering van elke autoriteit, de afwijzing van de Staat en dus ook van de partijen en vakbonden. 'Al degenen die in een bliksemsnelle ontketening - "Snel", zo luidde één van de muurslogans die misschien de mooiste was - door de beweging ontwaakt waren, braken op een radicale manier met hun oude levensopvattingen, en dus ook met degenen die hen ertoe aangezet hadden deze in stand te houden, zoals TV-vedettes en stadsplanners.'

'We hebben wind gezaaid, we zullen storm oogsten,' hadden de situationisten, niet zonder enige megalomanie, in het begin van de jaren zestig geschreven. In 1968 kunnen zij met voldoening terugblikken: 'Goed gewerkt, oude mol!'

Nóg clandestiener
Nà mei '68 kende de Situationistische Internationale een grote toeloop van nieuwe leden: welke 'ware revolutionair' wilde niet tot dit selecte clubje behoren? Maar de organisatie bleek niet in staat zich aan de gewijzigde situatie aan te kunnen passen. Ze raakte in een slepende crisis, waarin uitsluitingen en ontslagen elkaar opvolgden, zodat het er zelfs even op leek alsof dit nog haar enige activiteit was. In 1972 ontbond Debord de organisatie. In zijn film In girum... zou hij hierover zeggen: 'Avantgardes zijn van korte duur; en het beste wat hen kan overkomen is, in de volle betekenis van het woord, hun tijd gehad te hebben. Nà hen vinden er operaties op een veel groter podium plaats. Maar al te vaak hebben we van die elitetroepen meegemaakt die na enkele moedige heldenfeiten zich nog steeds proberen recht te houden, om met hun decoraties te kunnen pronken, en zich vervolgens te keren tegen de zaak die ze eerst verdedigd hadden. Iets gelijkaardigs valt er niet te vrezen van degenen wiens aanval gevoerd werd tot aan de limiet van de ontbinding. Ik vraag me af wat sommigen anders verwacht hadden. Het buitengewone verzwakt al strijdende. Een historisch project kan, ondanks alle slagen dat het te verduren krijgt, zeker niet pretenderen een eeuwige jeugd te bewaren.'

Op het ogenblik van de zelfontbinding van de Situationistische Internationale meent Debod nog dat de tijden revolutionair zijn. 'Op alle vlakken van de mondiale maatschappij kan en wil men niet langer voortdoen als voorheen.' Niet enkel studenten en arbeiders, ook kleurlingen, homo's, vrouwen en kinderen, eisten hun rechten op. Vooral de jongeren, zegt Debord, waren nooit zo intelligent geweest, nooit zo vastbesloten om de gevestigde maatschappij af te breken: 'de poëzie die in de Situationistische Internationale schuilt kan tegenwoordig gelezen worden door een meisje van 14, waardoor de droom van Lautréamont in vervulling gaat'.

Nà de ontbinding van de Situationistische Internationale kiest Debord voor de ballingschap en weigert hij nieuwe groeperingen aan te voeren - of deze nu van politieke of van artistieke aard zijn. Hij weigert tevens zijn stempel te drukken op de talrijke pro-situationistische en libertaire groepen die in die tijd in Frankrijk, maar ook in Italië, Spanje of Portugal, opduiken. Hij houdt er wel contact mee, maar dit blijft beperkt tot welbepaalde individuen die hij af en toe ontmoet en waar hij soms een vriendschapsrelatie mee ontwikkelt. Nooit zal hij ook maar proberen deze groepen te organiseren of samen te brengen, en vooral zal hij er nooit aan het hoofd van staan, zoals men hem dat wel vraagt te doen. Hij zal er daarentegen alles aan doen om te ontsnappen aan de talrijke verzoeken die hem dreigen te overstelpen - hij zal zelfs geen telefoon willen. De Situationistische Internationale heeft zijn tijd gehad. Bij diens zelfontbinding had Debord geschreven: 'Nooit heeft men ons erop kunnen betrappen verwikkeld te zijn in de zaakjes, de rivaliteiten en de relaties van de meest linksradicale politici of van de meest verlichte intelligentsia. En nu we ons erop kunnen beroemen bij dit uitschot de meest revolterende vermaardheid verworven te hebben, zullen we nóg onbereikbaarder worden, nóg clandestiener. Hoe méér onze stellingen zullen besproken worden, des te raadselachtiger zullen wij worden.'



In de jaren '70 zal Debord een tijd in Italië verblijven. Later zal hij veel heen-en-weerreizen tussen Arles, Spanje, en opnieuw Italië, en soms zelfs Parijs, en nog later zal hij meer en meer in Champot verblijven, in het zuiden van Frankrijk. Zijn contacten met het uiterstlinkse milieu blijven beperkt tot een dialoog, op één uitzondering na: in 1980 vertaalt hij 'Oproep uit de gevangenis van Segovia', om het stilzwijgen over gevangen libertairen in Spanje te doorbreken.

Vriendschap
In 1978 was zijn film In girum imus nocte et consumimur igni in een Parijse bioscoop in première gegaan. Een bevriende filmproducent, Gérard Lebovici, had in het Quartier Latin een filmzaal opgekocht om er uitsluitend Debords films te projecteren. Dit bracht heel wat pennen in beweging. Debord: 'Men vond een dergelijk "geschenk" extravagant. Indien een cineast, volgens deze journalisten, een dergelijk geschenk van een vriend niet zou mogen aannemen, dan kan men zich de vraag stellen welke opvatting over vriendschap die arme lieden wel mogen hebben. En tot welke geschenken zijn hùn vrienden dan in staat, indien zij vrienden hebben?'

Toen op 5 maart 1984 zijn vriend, uitgever en producent Gérard Lebovici in een ondergrondse parking vermoord werd aangetroffen, werd Debord met de vinger gewezen. Le Nouvel Observateur stelt insinuerende vragen: 'Was koning Libo uiteindelijk geen man onder invloed? Is hij, via Debord, niet afgegleden naar extremistische organisaties als de Rode Brigades of Action Directe, die hij zou gefinancierd hebben vanuit een zucht naar schandaal en provocatie?' Hetgeen bij Debord het laconieke commentaar opriep: 'Ik ben erin geslaagd universeel ergernis op te roepen, en steeds op een nieuwe manier.'

Maar wierp het geen smet op Debord dat hij er, als linksradicaal, niet voor terugdeinsde een miljonair als Lebovici tot vriend te nemen? Debord: 'Ik heb nooit rijke lui verafschuwd enkel omdat ze rijk waren. Het volstond dat ze zich met voldoende tact konden gedragen; en met stijl. Zou het niet veel laakbaarder zijn indien de rijkdom van het ene of het andere individu me had geïmponeerd? Hem de indruk had gegeven dat hij, door dat kleine detail, me had kunnen beïnvloeden? Of me enkel had kunnen toespreken vanuit een weinig hogere positie? Ik meen dat zij ingezien hebben dat dit niet het geval was. In elk geval, dat is het wat ik onophoudelijk gedacht heb, en ik heb navenant gehandeld, zoals ik dat moest.'

De weigering van arbeid
'Ik begrijp zeer goed de tijd waarin ik leef,' schreef Debord. 'Nooit te werken: dat vereist een groot talent. Gelukkig heb ik dat gehad.' Debord voelt niet de behoefte zijn werkweigering door enige ethische verrechtvaardiging op te smukken: 'Ik wilde eenvoudig enkel doen wat ik het liefste deed. In feite heb ik in mijn leven vele poëtische situaties gezocht, en ook de bevrediging van enkele van mijn gebreken, gebreken die bijkomstig waren, maar belangrijk. Macht kwam daar niet in voor. Ik hou van de vrijheid, maar zeer zeker niet van geld. Zoals ooit iemand zei: "Geld was geen verlangen van de kindertijd".'

'Waar heb ik ooit beweerd nuttig te willen zijn?' schrijft hij op een andere plaats. 'Ik beroem me er zelfs op, indien men de vorm en de inhoud in overweging neemt van alles wat ik ooit heb willen realiseren in de kunst en in de maatschappelijke kritiek, dat ik nooit enige activiteit ontplooid heb die voor maatschappelijk eerlijk zou kunnen doorgaan; op uitzondering van die erg korte periode in mijn jeugd waarin ik erg goed kon leven door enkel maar poker te spelen, want zonder te bedriegen: uit pure strategische bekwaamheid.'

Maar was het werkelijk waar dat Debord zijn levenslang niets uitgericht heeft? Debord: 'Waaruit zou men kunnen concluderen dat ik niet werk? Twaalf jaar lang heb ik een tijdschrift geleid, een boek en vele boekjes, brochures en pamfletten geschreven, zes films gedraaid en gemonteerd. Voor een groot deel werd het werk van de negatie in Europa gedurende een ganse generatie door mij gevoerd. Ik was er tevreden mee om enkel de loonarbeid, een carrière bij de staat, of elke staatssubsidie in welke vorm dan ook - en, ik preciseer, evenmin van enige andere staat - af te wijzen, en zelfs een simpel staatsdiploma - op de enige en onbetekenende uitzondering van het eindexamen van de middelbare school na. Ik geloof niet dat men met recht en reden kan zeggen dat ik me onophoudelijk geamuseerd heb.'

Geen agora meer
Had Debord gedurende gans de jaren '60 en '70 geloofd dat de revolutie op de agenda stond, dan zou hij zich daarover in zijn laatste boeken erg pessimistisch uitlaten. Maar kan men het hem verwijten dat het perspectief van revolutie aan de horizon verdwenen is?

De Debord van de laatste teksten stelt onophoudelijk, net zoals hij dat ook al in de jaren '50 en '60 deed, het uitdoven van de communicatie vast. Dit is nog verergerd, omdat volgens hem het spektakel momenteel over de middelen beschikt om op een absolute manier haar waarheid op te leggen, en dus alle andere waarheden weg te moffelen, daarbij inbegrepen de wetenschappelijke stellingen die niet in haar kraam passen. En het spektakel beschikt over deze middelen omdat het de gemeenschap opgelost heeft, omdat er strikt genomen geen plaats voor de dialoog en voor de ware contradictie meer is: 'De spectaculaire autoriteit kan tevens alles ontkennen, één keer, drie keer, en verklaren dat zij er niet meer zal over spreken, en ze zal over iets anders beginnen spreken; goed wetende dat zij op haar eigen terrein, noch op enig ander, geen enkele reactie te vrezen heeft. Want er bestaat geen agora, geen algemene gemeenschap meer; zelfs geen kleine gemeenschappen met tussenliggende organen of autonome instellingen, met salons of café's, met arbeiders van één enkel bedrijf; er bestaat geen plaats meer waar het debat over de waarheden van de hedendaagse mens zich duurzaam zou kunnen bevrijden van het verpletterende gewicht van het mediadiscours, en van de diverse georganiseerde krachten om het te verbreiden.'

Wat betekent dialoog nog als de unilaterale 'communicatie' geen enkele wedertoeëigening meer mogelijk maakt, zelfs geen enkele verdraaiing, dankzij een horde communicatie- specialisten die betaald worden om de dingen te laten lopen zoals ze lopen. De betekenis van de verdraaiing is diepgaand veranderd vanaf het ogenblik waarop elk revolutionair of gemeenschaps- perspectief verdwijnt. Ze verliest haar functie van techniek van de revolutionaire communicatie. Ze staat momenteel in dienst van de herinnering, van de geschiedenis, en zelfs van het behoud van de taal, die allen dreigen opgeslokt en vernietigd te worden door de vooruitgang van het spektakel. In de tijd van de Situationistische Internationale was de afschaffing van het verleden en van de cultuur een revolutionaire gedachte. Momenteel is het de macht die de geschiedenis en het verleden tracht af te schaffen. Hetgeen voor Debord een nieuwe omkering van het perspectief met zich meebrengt: 'Indien "absoluut modern zijn" een speciale wet van de tiran geworden is, dan vreest de eerlijke slaaf bovenal verdacht te worden van nostalgie naar het verleden.'

Indien het perspectief van revolutie verdwenen is, dan bestaat er geen negativiteit meer, de macht heeft geen vijanden meer, waardoor ze verplicht wordt zelf vijanden te produceren, onder de romantische vorm van rode brigades of van beminnelijke theoretici die gesubsidieerd worden om doctoraten over subversie te schrijven. Dàt is het geïntegreerde spektakel, zegt Debord, en niemand ontsnapt eraan. 'In een ééngemaakte wereld kan men niet in ballingschap gaan.'

Wil dit zeggen dat Debord zich bij de postmoderne orde neergelegd heeft? Helemaal niet. Debord is er nog steeds verbitterd over dat simulaties en schijn de wereld uithollen aan betekenis en realiteit, en, wachtend op de terugkomst van de geschiedenis, klaagt hij de spectaculaire overheersing van de wereld op even vastberaden wijze aan als in zijn vroege teksten. Indien voor Debord 'het onechte ertoe neigt het echte te vervangen', dan is dit iets dat bij hem woede en spijt oproept - geen ogenblik wil hij zich daarmee verzoenen. Maar, niet meer in staat een maatschappelijke kracht te ontwaren die de wereld zou kunnen veranderen, vervalt hij in een tragisch levensgevoel, waarin men vanuit een esthetische houding de onafwendbare commercialisering en spectacularisering van de wereld waarneemt, en overmand wordt door wanhoop. Een wereld waaruit de utopie verdwenen is, is niet waard dat men er nog in leeft. Guy Debord, die elke carrière in de burgerlijke maatschappij - die hij afwees - geweigerd had, trok dan ook zijn conclusie. Zijn ziekte (een ontsteking van de perifere zenuwen als gevolg van zijn alcoholverslaving) gaf de doorslag. Zijn vriend, de Frans-Uruguayaanse schrijver Ricardo Paseyro, had hem kort voor zijn dood nog opgezocht. 'Lang op voorhand gepland, verborg zijn zelfmoord geen enkel geheim: Debord zou aan de ziekte het recht ontzeggen om hem van zijn onafhankelijkheid te beroven. Hij was geen "mysterieus" mens: hij was een vreemd wezen, die zich niet liet temmen, dwingen of manipuleren. Hij gaf aan niemand of niets zijn vrijheid prijs - noch aan het leven, waarvan hij hield, noch aan de dood, die hij de baas zou blijven.'

Extreem
'De scheiding is de alfa en de omega van het spektakel,' had Debord in De spektakelmaatschappij geschreven. En ook: van de auto tot de televisie wordt het isolement van de 'eenzame massa's' versterkt. Er bestaan geen ware ontmoetingen meer; de individuen zijn voor elkaar fictieve gesprekspartners geworden. Aan het slot van de verfilming van zijn boek last Debord, nà een sequentie van een charge tijdens de Amerikaanse burgeroorlog, een scène in uit Mr Arkadin van Orson Welles, waarin Welles himself de rol van Arkadin speelt.

Op een gemaskerd bal dat hij op zijn kasteel in Spanje geeft, zegt Arkadin, met een glas in zijn hand, tot zijn gasten: 'Geen redevoeringen. Ik wil een toast uitbrengen op Georgische wijze. In Georgië beginnen de toasts met een sprookje... Ik droomde van een kerkhof waar de grafschriften erg bizar waren, 1822-1826, 1930-1934... Men sterft hier erg jong, zei ik tegen iemand; een zeer korte periode tussen de geboorte en de dood. Niet langer dan elders, antwoordde men mij, maar hier tellen enkel de jaren dat een vriendschap duurt. Laten we drinken op de vriendschap!' 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Categorie : Nieuws
Tags : Nieuws, Nieuws, Situationist Comics, art, kunst, poezie, guy, debord, strip, SI, LI, ne travaillez jamais, detournement,
Frank | 29-11-2010 20:53

Reacties (0)

Geen reacties gepost

Voeg je reactie toe



mXcomment 1.0.9 © 2007-2014 - visualclinic.fr
License Creative Commons - Some rights reserved